mobar.punt.nl
35 gedichten


 

 

Welkom

Ik hang mijn jas op aan de kapstok naast de deur

en blijf in mijn geluk verzonken staan.

Hier vallen van mij af getal en kleur,

waaronder ik bij vreemden moet bestaan.

 

Vermenigvuldigd tot oneindigheid

en teruggebracht tot ongebroken licht

ga ik naar binnen toe; je breidt de armen uit;

terwijl je kust liggen je ogen dicht.

Gerrit Achterberg

 

 

 

 

 

Huis, ik bewoon u nog.

Uw lampen schijnen in mijn ziel,

alsof ze met u samenviel,

en geen ruimte vermag

zijn duisternissen in te doen

tussen het licht van nu en toen. 

Uw dingen glanzen zwaar in mij

van eeuwigheid, er is voorbij

de dood geen onderscheid met dit,

behalve dat ik nog bezit

de tijd, waarin het nederligt

tot een gedicht.

 

Gerrit Achterberg

 

 

 




De ramen

In deze duistere kamers, waar ik

drukkende dagen doorbreng, loop ik aldoor rond

zoekend naar de ramen.- Wanneer er maar

één raam zal opengaan, zal dat een troost zijn.-

Maar de ramen zijn er niet, of ik kan ze

niet vinden. En beter misschien dat ik ze niet vind.

Misschien zal het licht een nieuwe kwelling zijn.

Wie weet wat voor ongekende dingen het zal tonen.

(1903) Kaváfis

 


 

Zij waren altijd samen

 

 

 

Zij waren altijd samen

als zij het verkeerd gedaan hadden
in de herfst

als zij in de lente lagen
als zij fietsten
want de zomer gaat voorbij
en de winter is niet eenzaam
als hij ziek was en in zijn hand
lag als een geschenk de ander

als zij ziek in bed lagen
en het bed de huifkar was
van hun vrees

als het bed de vallei was van hun
juichen en het lichaam rustte

als de dagen lang werden

zij waren altijd samen.

 

 

 

Hans Lodeizen


 

Duif

 

Het had geonweerd en de straat was nat,
het asfalt lag als water aan de oever
van het trottoir, waar plechtig trad
een duif en koerde als een kind, maar droever.

De hemel boven 't park werd licht,
de bomen stonden groen, afzonderlijk
en ieder leek een bos, zo bol zo wonderlijk
en in zichzelf gekeerd, prevelend opgericht.

Ik liep te kijken in de korte stille straat
en zag de duif, de kleur van onweer op zijn vleugels
en poten roze als de dageraad.

 M. Vasalis


 

Het vrije veld

 

Hier waar het niet kan komen
de woorden elkaar afstoten

Dit wat men noemt 'het vrije veld'
het kent horizon noch grenzen

Uit de hemel hangen draden, slordig afgehecht
bewegend in de wind (want altijd waait het daar)

Verder beweegt er niets Een paar losse stenen
slurpen zich vol licht (alle schaduwen verdwenen)

Toch moet het hier ergens zijn, beginnen
wat men later zijn herinneringen noemt

Maar nu nog een toestand waar geen mens
vat op heeft, waarvoor geen woorden zijn:

Een en al onaantastbare luister.

 

 

 

         Bernlef


 

 

 Gans

Hij is door slapen ingevuld,
zijn oog betrekt de wacht van kijken,
wat ons onthutst is zijn gemak
van paus die op zijn eieren zit.


Chr. J. van Geel

 

 

Stilte van de zee

 

In het water diepe stilte,

Zonder deining rust de zee,

En bekommerd ziet de schipper

Niets dan vlakte om zich heen.

Alles blak aan alle zijden!

Ongehoord en doods, verstild!

In de kolossale wijdte

Wordt geen golfje opgetild.

 

J.W. von Goethe

 
 
 

 

 

De zee

 

Wat een machtig en woelerig deinen
van baar op baar,
bruisend opstaand en bruisend verdwijnend
over elkaar.

De stemklank der mensen die zingen
maakt mij zo wrang;
van verouderde krachtloze dingen
spreekt mij hun zang.

Doe uw geesten mij bouwen een woning
diep in uw schoot,
waar ik zingen zal als barenkoning
tot mijne dood.

Want geen keel die aan wal uwe zangen
ooit navertelt,
en geen mensenbrein ooit zal vervangen
uw effen geweld.

 
 

 

         Willem Elsschot

 




Het spiegelend evenbeeld

 


 

Wat is leven? Ogen die elkaar niet zien,
hout op hout de woede van het lichaam,
draaiend in het circusspel van heden.

Het is een straatnaam aan een huis,
de ogen rode tekens aan een voorhoofd,
terend op de gedachte aan gisteren:

'Ik loop in zoveel duisternis
dat ik blind ben van vragen.
's Nachts de koele mist van de liefde
bij dag de godsdienst van het ademhalen'.

Terend op een wanhoop die morgen is:
alleen met anderen die alleen zijn,
samen met de eigen stem, die niet klinkt
in een wankel en vermoeid bestaan
waar geen geluid meer doordringt.

En ik die dit leven niet ken
ik, een toerist in eigen land,
vreemde voeding in mijn cellen,
vreemde rook in mijn mond.

Ik loop langs alle wegen die mij dragen
en vraag, maar kan niet meer vragen,
Geef mij het einde, zodat ik mijzelf herken.

 

 

Simon Vinkenoog

 

 

 

 

 

 

Ineens

Ineens was ik het vermogen
om warmte vast te houden
verloren. Nu de kinderen
het huis uit zijn, snoof ik,
ja, ja. Ik kroop onder steeds
meer dekens. De kachel
loeide. De warmste van ons
tweeën kon mij niet meer
verhitten. Ik rilde en
huiverde alsof ik oog
in oog stond met de dood.

Wat ook zo was. De dood
en ik stonden op een dijk.
Tussen ons was niets dan
een aanzienlijke afstand.



Anna Enquist (1945)



 

Allemaal steden

de stad weifelt over de huizen
de morgen vaart over de daken
de stad binnen
de zon staat op tussen de huizen
onder carillonmuziek
de mensen wandelen in het donker
als het elf uur is

de zon spoelt aan op de daken

aan het strand van de verten
ligt de stille zee der lucht
waarin het schip van een kerktoren
flikkert

in de buik van de stad
drinken wij koffie

en de stad zeilt verder.  

Hans Lodeizen


 

 

 

Het raam is zwart

 

Het raam is zwart.
De nacht donker.

In de kelder is licht.
In de kelder waar de flessen liggen.

In de koelkast is licht.
wanneer hij hem opentrekt

en de fles rood.
De televisie grijs, uitgekeken.

In de kamer hangen portretten
van kinderen

die niet willen zitten in de stoelen
van ouders

die niet willen kijken
naar elkaar.

De kamer is donker.
De nacht is blind.

Hij neemt de trap naar boven.

 
 

Gerry van der Linden

 

 

Toch wordt het lente

En tóch geloven dat het lente wordt,
al valt de koude regen neer in stromen
op kale, zwarte takken van de bomen;
al zijn de dagen lichteloos en kort.

En tóch geloven dat de zon het wint,
al houdt ze zich soms dagenlang verborgen;
zoals een mens,in ’t donker van de zorgen,
soms plotseling een zonnig plekje vindt.

En tóch geloven dat ’t gezaaide graan
ontkiemen zal in koude, zwarte aarde;
zoals God in Zijn Zoon Zich openbaarde:
Die leeft, maar uit de dood is op gestaan.

 

Nel Benschop


 

 

 

 

 

 

De boom

 

Laat mij de boom in jouw park mogen zijn

wees jij het grasperk in mijn plantsoen

overschaduwen zal ik je tegen de middag

beschermen tegen de beulende zomer

maar wees jij zacht groen aan mijn avondvoet

wees jij de spons voor mijn wortels bij droogte.

 

Ach de eekhoorn verlangen klimt recht omhoog

telkens weer recht en snel mijn rug langs naar boven

dan siddert mijn kruin, ik ben maar een boom

die verlangt naar een zacht en blijvend gazon

dus wees mijn pelouse de herfst komt al aan

alles zal ik verliezen om jou te bedekken

jij zult grijs bevriezen mij blijven omstrekken

en altijd door zal ik voor je staan.

 

J.B.Charles


 

Het vogelwoord

 

rondom de toren

vliegen de weerloze woorden.

hoog aan de bomen van wind

zijn hun vlerken opgehangen.

kijkmoe van hun koppen

lichtschuw gevangen.

van richting gewijzigd

veranderd van koers

is hun vlucht.

duizelig rond in de rondte

in dwang van een doel

vliegen zij voort.

laat het vrij zijn wat verder wil vliegen,

een wiel in de ruimte

een klapwiekend hart

een overtrekkende vogel.

 

Catharina van der Linden

 

 

Hart

Het diepste houd ik van hem over,
wat ik zeg verzwijgt zijn taal.
Hij draagt zijn hart in mij
het haast mij dagelijks voort.

Wij praten en hij knikt bij nee,
hevig verkeerd. Drank zuipt hem op.
Om oude grappen lacht hij nog
de lach die ik verstop.

Later staat hij scheef
voor zijn huis en wuift altijd.
Ik rijd mij gehaast van hem weg,
hij slaapt al in mijn hoofd.

Bernard Dewulf

 


 

Jasje

Alle seizoenen waren harde winters.
Zou ze zich verborgen hebben in dit bontjasje
dat hij ooit met liefde gewatteerd
om haar smalle schouders had gelegd?

Zou zij zo de kou hebben kunnen weren
van al die landverhuizingen en andere doden,
van de angst en de grimmige wortels
zodat ze zacht zou vallen als ze zou vallen?

Zou ze op een dag
in dit jasje
de oneindige koude
zijn ingedoken?

Je bewaart het, bladert het door: de mouwen,
het haast onvindbare sluitinkje, de kraag;
het ding slijt, rafelt, vervaalt als een veelgelezen boek.

Je schudt met de mot de tijd eruit
en vult het op met je eigen lijf
al durf je zo de straat niet op.

Niemand weet dat het jasje
van geverfd konijn is
en niet van nerts.

Jana Beranová





 

Beslist

Beslist, er begint
iets in mijn hoofd
dat mij als kind
allang was beloofd,

want als blozend ei,
vers bevrucht,
bereikte mij
al een gerucht

maar nog aarzelt het zich,
maar nog is het te vroeg,
ik versta het, ik lig
nog niet stil genoeg    

Leo Vroman

 

 


Bezoek

Met ogen als meetlatten
van precies zijn eigen lengte
keek hij mij pasklaar
in de etalage van zijn avond.

Met oren die mij vertaalden
in zijn soortelijk gewicht
luisterde hij mij
tot zijn woorden en namen

luisterde aureolen om zich heen
cirkels met de middenlijn
van altijd zijn schedel.

 Ankie Peypers

 

Toekomstmuziek

Geef mij de ballade uit de Hades
of een opgewekte blues, ik swing op elke
hiphopversie van Vivaldi, mijn smaak

kent geen limiet, dus leve het licht ontvlambaar
geuzenlied, de wals voor weduwen en wezen,
de bloedeloze stierenvechtersrapsodie.

En vanzelfsprekend zweer ik bij de alchemie
van een schlager voor de goede zeden
of een nocturne voor de ochtendmens.

Maar wat bovenal moet worden aangeprezen
is een marsmuziek, jawel een marsmuziek,
die de mensheid van marcheren zal genezen.

 

Arthur Lava




 

Een heldere dag

 

Is het nodig die hond te herkennen
of te denken dat je die hond herkent?

Ik dacht een stem te herkennen
die lachte maar ook zweeg.

Het was toen jij stopte en zei:
er zijn er die een hond tegen de storm in gooien
en tellen tot hij landt of terugkomt.

Ik zag een jongen, dacht

als hij landt is het
om zijn vader en moeder te bewijzen
om iets te maken
en snel te zijn.

Hoe vreemd te kunnen geloven
dat de wereld is zoals hier afgebeeld.

Een hond aan het strand, tussen wandelaars.
Velen nog kinderen, nog niet weggevoerd
nergens naar verwijzend.

Ik wilde kalmte zien en rust
zoals die zich in de golven ophouden.
Ik ben toegekomen aan de hond
noch aan de worp.

 

 

 

Jan Baeke

 


 





 

Kikkerbloed

 

ik verander de wereld
ik verander de wereld in een kikker
o kon dat maar, springen naar de sterren
onze eieren door heel het al verspreid
al mijden wij de vliegen al van verre
geef ons ruimte
geef ons tijd

geef ons tijd
geef ons ruimte
ik verzuim te
vermelden dat ik niet toveren moet
en goochel een spoor van woorden
dat is mijn sprong naar de sterren
dat is mijn kikkerbloed.

Arjan Witte


Schaduwtheater

De wijze die zei dat van
alle schilderijen ooit gemaakt
maar een klein deel bleef bewaard
dat het werkelijk genie schuilgaat
in wat voorgoed is zoekgeraakt.

Zo met alles.
De doden, de gebeurtenissen
die niemand onthield of net niet
aan de oppervlakte kwamen,
zij vormen ons schaduwtheater.

J. Bernlef

 

 

De smalle straat

De smalle straat
de meidoorn heg
het werkhuis met
machines, wipzaag, schavelingen
de varkensstal
de boomgaard met
de pruimelaren overheerlijk

ijzige winters en
azuren zomers

waarin oorlogen soms kwamen
onverklaarbaar
tot ze ook weer gingen

auto's voor het eerst verschenen
roestten
als in dromen reden
zich vermenigvuldigden
en weer verdwenen

liefde zwol
als knoppen
en vrucht droeg
en vervroor

en kranten van dit alles
niets versloegen.

 

         Erik Spinoy

 

 

 

 

Liedje

Er staat in mijn hart een boompje gegroeid,
De wortels zijn bloedig rood,
Maar de bloesems zijn, als het boompje bloeit,
Sneeuwwit langs de tengere loot.

's Nachts droom ik van vogels en laaiend vuur
En hoor verward gekras,
Maar een lied rijst in het morgenuur
Als een feniks uit as.

En van de liefde verbleekt het rood
Tot de smetteloosheid van het kind —
Er is een zuiverheid van de dood
Die reeds in het leven begint.

 

Martinus Nijhoff

 

 

 

 Staren door het raam

 

Er is een leven in wat bewegen,

de takken beven een beetje tegen

elkaar. Een even beginnen schudt

elke boom: een bezinnen dit,

 

een schemeren gevend van eerste denken,

met lome vingers gaan zij wenken

wenken, wenken, brengen uit

een vrezend menen nauw geuit.

 

En lichte dingen, herinneringen

lispelen zij, vertrouwelingen,

zouden wel willen, willen – dan dood

staan zij in de lucht, de bomen bloot.

 

De lucht, die leeg is en zonder ziel,

waar uitgetuimeld de wind uitviel.

 

J. H. Leopold

 

 

 

Landslakken

 

Landslakken worden nooit moe
van de langzaamheid en nooit moe alles
uit te leggen aan de machtige vooruitgang,
de snelle wolken, de grote stappen voorwaarts.
Zij vinden daarnaast nog tijd om niets omstotend
iedereen van harte te groeten.
en zij kosten haast niets.

Zij kunnen zich niet vergissen, houden van
liggende dingen, blaadjes, hout van onbekende
oorsprong en groeten u voortdurend als altijd
u duizendmaal toegenegen.

 

 

 

           Frank Koenegracht




 


 

Poppenkast

 


 

De poppenkast staat midden op de straat.
Vanuit de verte hoor je haar al kijven:
Katrijn, van alle vreselijke wijven
het vreselijkste wijf dat er bestaat.

Maar voor Jan Klaassen zelf staan wij paraat.
Wij zullen trouw zijn kameraden blijven
totdat hij straks in levendigen lijve
de dooie dood van Pierlala verslaat.

's Nachts is het dorp een poppenkast zo groot
dat alle poppen grote mensen lijken.
Men ziet mijzelf daar als Jan Klaassen prijken.
Maar nauwelijks heb ik de dood morsdood
zijn zelfgegraven graf in laten dalen
of kijk daar staat Katrijn, ze komt me halen.  

 

Kees Stip




Langzaam

 

winter, jij bent een slechtaard
in de huizen verstop je je
als een kind zie ik je alle scholen
binnen hollen met je lichaam
in een tas o winter jij bent
een slechte meester

een klein beetje vuurwerk daarmee
ben ik tevreden o winter geef mij
wat vrolijkheid knip een stuk
van deze middag af gooi een sprookje
in het water van de nacht
o slechte meester

dag slechte winter, scharenslijper,
met geschramde knieën hol je
over de speelplaats als knikkers
uit de wolken van een hemel naar het blauwe
hemd waar het witte krijtje rijdt van
een slechte meester.

 

Hans Lodeizen

 

 

Aan een boom in het Vondelpark

 

Er is een boom geveld met lange groene lokken.
Hij zuchtte ruisend als een kind
terwijl hij viel, nog vol van zomerwind.
Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.

O, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen,
met slepend haar en met de geur van jeugd
stromende uit zijn schone wonden,
het jonge hoofd nog ongeschonden,
De trotse romp nog onverslagen.

 

 

 

            M. Vasalis

 

Licht

We wilden licht meer licht
we kapten de boom die in zijn eigen reiken
ons verlangen in de weg stond
de boom kreunde kermde kraakte
zijn laatste vezel scheurde
en met een razend suizen van zijn blaadjes
sleurde hij zijn leven neer
de wind die hem bespeelde
week geschrokken uit

eindelijk hadden we licht in de kamer
in dat licht keken we elkaar aan
en zagen klaar
ons onherstelbare gezicht

 Remco Campert
 

 

 

 

Nocturne

De avond heeft niets lieflijks in dit land;
het licht vergloeit als in ontstoken ogen,
de lucht weegt grauw en bitter als nat zand
op bomen, in de Noordenwind gebogen.

’t Cholerisch bruisen in de naakte kruinen
vervult nachtlang, naargeestig en alom
de schemering en in verkleurde tuinen
waart regen, ijzig, als een ziekte om.

En ik, geslachtenlang hiermee verbonden,
toch tot geen vereenzelviging in staat,
ga langzaam aan die somberheid te gronde
en aan een pijn, waarvoor geen naam bestaat.


Ab Visser (1913-1982)



 

 

In de nacht

 

Zonder mij uit tot dit
uitzonderlijk wonderlijk wit
van oogappels en van huid
zonder mij zonder mij uit.

Zonder mij uit tot dit
onophoudelijk vrouwelijk wit
van ogen en appels huid
zonder mij zonder mij uit.

Zonder mij zonder mij uit
zonder mij uit tot huid
zonder u uit tot huid
zonder mij zonder mij uit.

 

 

 

Hans Andreus

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Credo

 

 

 

ik geloof in een rivier
die stroomt van zee naar de bergen
ik vraag van poëzie niet meer
dan die rivier in kaart te brengen

ik wil geen water uit de rotsen slaan
maar ik wil water naar de rotsen dragen
droge zwarte rots
wordt blauwe waterrots

maar de kranten willen het anders
maar de kranten willen het anders
willen droog en zwart van koppen staan
werpen dammen op en dwingen
rechtsomkeert

 

 

 Remco Campert












































































































































































































































































































Reacties

Commentaar
Jouw naam/bijnaam
Website url
E-mail
Je Punt profiel
Hou mij op de hoogte
Ik wil op de hoogte gehouden worden
Dit is een verplicht veld
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl